Site icoon Dogmavrij

Opvoeding en traditie, overdenking door ds. Klaas Hendrikse

 

Onderstaand de volledige tekst van de inleiding en overdenking zoals die afgelopen zondag, 06 augustus 2017, gehouden werd door ds. Klaas Hendrikse in de Gasthuiskerk te Zierikzee.

Dominee Klaas Hendrikse was al geruime tijd ziek en is overleden op 26 juni 2018 op 70-jarige leeftijd.

 

 

Inleiding

 

“Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind,

dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind.

Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten.”

 

Dat is wel een hele korte samenvatting van een hele lange weg.

Wat zat ertussen? Weet je het nog?

 

Ik probeer maar:

 

Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind,

ofwel: wat anderen mij toen hoorden zeggen,

had ik van horen zeggen.

 

Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten,

ofwel: wat anderen mij nu horen zeggen,

is van mezelf, ik spreek uit eigen ervaring.

 

Wat zat ertussen? Weet je het nog?

 

Ja, zo’n beetje. Het meeste niet, je bent veel vergeten

en je zult ook wel het een en ander verdrongen hebben.

Het zal ook best onoverzichtelijk zijn als je achterom kijkt.

 

Kijk bijvoorbeeld maar even achterom naar God.

Weet je nog hoe en wanneer God je leven binnenkwam?

Nee, het goddelijk fundament werd al gelegd toen jij nog in de luiers lag.

God liep al met je mee voor je kon lopen.

Dat wil zeggen: in de gedaante van je ouders.

 

Maar je religieuze herinneringen zijn van later:

toen er anderen op de proppen kwamen:

de juf op school, met de bijbelverhalen, al of niet toegelicht,

de klasgenootjes,

oma, die -soms tot verlegenheid of verbijstering van de ouders-

godsdienstige theorieën verkondigde

waar deze ouders nu juist dit kind voor wilden behoeden.

 

Maar je ouders zijn natuurlijk de belangrijkste gebleven,

niet alleen als opvoeders/voorbeelden,

maar ook omdat zij degenen waren, van wie je je hebt moeten losmaken.

 

 

Want dat was het vervolg:

dat je een eigen plek moest vinden in nieuwe verbanden,

oude denkbeelden loslaten, nieuwe ervoor in de plaats.

 

Dat vervolg zal wel niet vanzelf zijn gegaan.

Het beeld van jezelf, van de mensen om je heen, je ouders, God,

het moest allemaal door de zeef, een soort beeldenstorm.

 

Het is alweer een tijdje geleden,

dus je kunt er nu inmiddels met wat meer afstand naar kijken.

Nou, kijk maar eens naar je vroegste voorstelling van God.

Die leek waarschijnlijk veel op Sinterklaas, of de Kerstman.

 

En leg je beeld van nu er maar eens naast.

Is het nog zo? Nee, anders.

Maar hoe is het veranderd?

Dat kun je niet zo maar 1,2,3 zeggen zeker.

 

Nee, maar ’t moet wel kunnen; ’t is tenslotte jouw verandering.

 

Ja, dat is wel zo:

jouw ontwikkeling/volwassenwording is natuurlijk uniek.

jij hebt dat op jouw manier gedaan.

Maar je bent niet de enige, je leefde niet op een eiland.

 

De meesten van ons zijn opgegroeid in de 2e helft van de 20e eeuw.

In die tijd is er heel veel veranderd, ook op godsdienstig/religieus gebied,

en daar zijn jij en ik door beïnvloed.

 

Kerken zijn leeggelopen en de achterblijvers liggen onder vuur:

‘geloof jij nog in God?’

Alsof er iets aan je mankeert.

 

De meesten zijn allang vertrokken

en geven zelf, zonder zich van instituten veel aan te trekken,

vorm aan hun leven.

 

Zowat niemand heeft nog een boodschap

aan de boodschappen van paus of synode,

maar volgens recente onderzoeken

beschouwt méér dan de helft van de mensen die nooit in een kerk komen,

zichzelf als gelovig.

 

In termen van ons onderwerp:

mensen geloven niet meer als een kind, maar zijn volwassen geworden.

 

 

Overdenking

 

Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind,

dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind.

Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten.

 

Ja, maar hoe is het gegaan?

 

Laten we maar bij vandaag beginnen,

bij hoe jij hier nu zit, zeg maar: jij met jouw godsbeeld.

 

Nee, dat is niet goed gezegd:

het zal wel zo zijn, en ik zeg het zelf soms ook zo,

dat iedereen op de een of andere manier een “godsbeeld” heeft,

maar dat klopt volgens mij niet.

 

Probeer maar uit: probeer maar of je –laten we zeggen binnen 1 minuut-

je eigen godsbeeld in 1 zin kunt formuleren.

 

Dat zal niet lukken.

 

Ik doe het wel eens hoor, vragen naar iemands godsbeeld.

Maar liever niet staande. En liever niet in gezelschap.

 

Want het antwoord op de vraag naar iemands godsbeeld is niet een zin,

maar een verhaal, een lang verhaal meestal,

waarin niet één, maar verschillende beelden langskomen.

En die beelden hebben het soms, om het voorzichtig te zeggen,

flink met elkaar aan de stok.

 

 

Wij zijn hier bij elkaar in een vrijzinnige gemeenschap.

Wij zijn dus, ik vat het maar even grof samen, op de een of andere manier vrijzinnig.

 

Maar wie is er altijd vrijzinnig geweest?

 

Er zitten hier mensen die, zoals dat heet, uit een vrijzinnig nest komen,

èn

mensen die later vrijzinnig zijn geworden,

die zich tot de vrijzinnigheid hebben bekeerd.

 

Wat is het verschil?

Zolang we een beetje grof blijven samenvatten, is er wel een plaatje te maken:

Mensen uit een vrijzinnig nest zijn niet belast met oude beelden van een strenge god die over je schouders meekijkt, die in de gaten houdt hoe jij het doet,

en die jou daar op enig moment de rekening voor zal presenteren.

 

De mensen die later vrijzinnig zijn geworden

hebben onderweg met die god moeten afrekenen,

en zijn daar nu, min of meer, van verlost,

die god hebben ze achter zich gelaten.

 

Volgens mij klopt daar niks van.

 

En ik poneer maar even als stelling dat niemand vrijzinnig is geboren.

Of misschien wel vrijzinnig geboren,

maar dat die vrijzinnigheid er met het eerste straaltje water al is afgewassen.

 

Wat ik zojuist een “nest” noemde, heet met een net woord “traditie”,

mensen uit een vrijzinnig nest staan in een vrijzinnige traditie.

Wat hen ooit over God is geleerd, komt uit verhalen

van ouders, oma’s, opa’s, onderwijzers, tantes, enz.

 

Die mensen hadden het ook niet van zichzelf.

Anders gezegd: zij allen hebben God leren kennen vanuit de traditie.

Voor zover dat privé/familie-traditie is, prima,

maar buiten de deur is het een glibberige term.

 

 

Er zijn nogal wat stromingen die beweren

zich “te baseren op de joods-christelijke traditie”.

De gelovigen worden dan verondersteld te begrijpen wat daarmee bedoeld wordt,

maar wat even vergeten wordt, is dat er helemaal geen christelijke traditie ìs:

het christendom is eerder een bak vol

elkaar tegensprekende voorstellingen, gebruiken en symbolen,

waaruit ieder naar believen een keuze kan maken.

 

En dat is, wat vrijzinnigen vanouds gedaan hebben.

En nog steeds doen: zelf in die bak grabbelen.

 

Als vrijzinnige kun je dan ook moeilijk staande houden

dat je “in een traditie staat”.

En al helemaal niet vóór of namens anderen, of in de “wij”-vorm.
Het gebeurt overigens wèl, er wordt wel degelijk gesproken

over “vrijzinnige traditie”,  of over “vrijzinnig geloofsgoed”,

en ik ga daar zeker niets onaardigs over zeggen,

alleen maar dat je als vrijzinnige niet kunt zeggen

dat je in een of andere traditie “geworteld” bent,

zonder dat je aanhalingstekens zet om je eigen uitspraak.

Of een vraagteken erachter, da’s misschien nog beter,

want

 

hoe méér traditie, hoe minder ruimte voor interpretatie,

voor zelf zoeken en vinden van betekenis,

 

en dat is nou net wat we “vrijzinnig” noemen, nietwaar ?

 

Goed, dat was maar een zijpaadje,

maar ook vrijzinnigen dwalen wel eens af, vandaar.

 

Ouders

 

In de godsdienstpsychologie  is het wel zo ongeveer algemeen aanvaard

dat het fundament van iemands godsbeeld,

of beter: van iemands godsvertrouwen, al in de wieg is gelegd.

 

De veronderstelling daarbij is, dat religie ontstaat in de relatie met de ouders,

dat de ouders als het ware voor het kind de eerste godenfiguren zijn,

voorlopers van de God waarmee het later al of niet een relatie aan zal gaan,

dat wat zich binnen de ouder/kind-relatie voordoet,

van belang is voor latere relaties, met mensen en/of met God.

Ofwel:

 

dat de liefde en de geborgenheid van het begin

de bouwstenen leveren voor later godsvertrouwen.

 

En omgekeerd: dat wie wantrouwend is, zijn/haar hart niet kan weggeven,

dat die niet zo gauw iets zal kunnen met “God is liefde“.

 

Dat wel of niet vertrouwen is dus als het ware geboren

in de vroegste ervaringen die je hebt opgedaan.

 

 

Sprongetje (terug) naar vandaag.

Je hebt inmiddels een flink deel van je leven achter je.

Ergens, onderweg ben je volwassen geworden.

Maar wanneer..?

Was er een moment, of een dag, waarop je zeggen kon:

gisteren nog niet, maar vandaag ben ik volwassen.

 

Nee, het is net als met de overgang van de dag in de nacht:

er is niet een moment waarop je kunt zeggen:

nu is de dag afgelopen en de nacht begonnen.

 

Mooi beeld, omdat het ook illustreert

dat er niet 1 moment is geweest waarop je bepaalde godsbeelden achter je liet.

Dat gáát ook niet in 1 nacht,

voor sommigen gaat het pas na veel slapeloze nachten.

 

 

We zeiden net dat voor een klein kind

de vader en de moeder de eerste godenfiguren waren:

moeder kan alles en vader kan alles.

Dat veranderde vanzelf: je kwam erachter dat dat niet zo was:

vaders en moeders zijn gewone mensen, feilbaar en kwetsbaar zoals iedereen.

 

Bij God is het een stuk ingewikkelder.

Om maar iets te noemen:

een God die over je schouder meekijkt, bezorgt angst.

 

Als een kind een snoepje pikt, en mama merkt het niet,

of ze doet alsof ze het niet merkt, zal het kind een gevoel van triomf hebben,

een steuntje in de rug van het zelfvertrouwen.

Prima, dat komt wel goed.

 

Als het kind geen snoepje durft te pikken omdat God het ziet,

dan wordt er iets onderdrukt, en neemt angst de plaats in van triomf.

 

En moeder speelt daarin, als een soort middelaar, een dubieuze rol.

 

Vrolijker varianten zijn er ook: toen mijn zoon een jaar of 4 was,

vertelde mijn zuster hem dat hij goed moest uitkijken bij het oversteken.

“Nee hoor tante, als ik word doodgereden, maakt de Here Jezus me toch weer beter.”

Ik heb er om gelachen, maar eigenlijk was ik woest,

hij zat koud op de kleuterschool.

 

Wat ik hier voorzichtig probeer in te leiden,

is dat je tegen kinderen beter niet over God kunt praten.

 

Dat lijkt, of is, een nogal forse uitspraak,

maar ik ben niet de eerste die het zegt, en bovendien in goed gezelschap:

 

toen aan Socrates gevraagd werd (door Glaucon in Politeia)

“Wat keurt u nu eigenlijk af voor kinderen?”,

antwoordde hij: “Om te beginnen vrijwel de gehele religieuze literatuur”.

Zijn aanbeveling was: muziek en gymnastiek.

 

Dat wordt nu, met onze moderne onderwijsinzichten, weggehoond.

Maar, Grieken waren niet achterlijk, en niet dik.

Hun advies was: niet teveel woorden, althans geen volwassen woorden,

laat ze maar lekker spelen en opgroeien, ze komen wel.

En zorg maar dat ze het vertrouwen in de wereld om hen heen niet verliezen.

En dat is lange tijd een algemeen geldende opvatting geweest.

 

Kinderen maak je niets wijs

 

Het vroege christendom kende alleen volwassenen-catechisatie:

pas na je bekering ging je in de leer.

En dat is lang zo gebleven: uit de eerste 12 eeuwen van de kerkgeschiedenis

zijn geen catechisatiegeschriften bekend.

 

Ook de “School met den Bijbel” is van later.

Ik wil niets onaardigs zeggen over christelijk onderwijs,

maar de uitdrukking ‘school met de bijbel’ suggereert iets

wat niet krachtig genoeg ontkend kan worden:

 

de bijbel is een boek voor volwassenen, niet voor kinderen.

Het woord “kinderbijbel” zou daarom eigenlijk verboden moeten worden.

 

Mag je ze dan de bijbel niet voorlezen?

Jawel, want dan ben jij niet zelf aan het woord.

 

Als je een Bijbelverhaal aan een kind weet te vertellen als een sprookje, OK.

Maar als je eraan gaat sleutelen

of er “les” over gaat geven, dan zit je al in de gevarenzone.

Of beter: dan zit het kind in de gevarenzone.

 

Het is natuurlijk wel makkelijk.

Ik heb het vaak gehoord en gelezen in levensverhalen,

dat mensen waarvan de ouders niet-gelovig waren, of er niet zoveel aan deden,

toch naar een christelijke school werden gestuurd.

 

Waarom? ‘Voor hun algemene ontwikkeling’

of:

‘we leven toch in een christelijke cultuur, ze moeten toch iets van de bijbel weten.’

 

Zou dat echt een eerlijk antwoord zijn? Of een beetje gemakzuchtig?

Waarschijnlijk allebei.

 

Het is ook wel makkelijk om moeilijke vragen uit te besteden.

Maar ze kwamen, of ze komen, natuurlijk tòch.

En dan komt het erop aan:

“Mam/Pap/Opa/Oma, geloof jij in God? En waarom (niet) ?”

 

Kun je je voorbereiden op die vragen?

Nee, je kunt alleen maar jezelf zijn.

En dat maakt het niet makkelijker.

 

En je kunt je natuurlijk afvragen wat voor zin het heeft

om je kinderen naar een christelijke school te sturen

als je zelf van toeten noch blazen weet.

 

Hoor maar:

 

Een jongetje uit een niet-gelovig gezin zit op een chr. basisschool. Na een tijdje begint het de onderwijzer te storen dat hij hem alles steeds weer opnieuw

moet uitleggen. Op een gegeven moment gaat hij maar eens op bezoek bij de ouders. Er ontwikkelt zich een gesprek,waarin de onderwijzer zich ten einde raad laat ontvallen: Uw zoontje weet zelfs niet dat Jezus voor ons is gestorven.

Waarop de vader opmerkt: Wat vreselijk..,

wij hadden niet eens gehoord dat hij ziek was!

(HStufkens, Een ketterse catechismus – 88)

 

 

Je maakt kinderen niets wijs.

Als jouw woorden niet kloppen met jou, dan doorzien ze dat.

 

Hoe minder woorden hoe beter?

Nee, dat hoeft niet, als het maar echte woorden zijn,

als jouw woorden maar kloppen met jou.

 

En van zulke woorden zijn er sowieso niet zoveel.

 

Verhaaltje van Abel Herzberg tot slot.

 

Een paar woorden maar, die misschien wel

al die andere woorden samenvatten, of overbodig maken:

 

‘Ik was acht of negen jaar. We zaten aan tafel, er werd gebeld.

Een man kwam vragen of hij wat geld kon krijgen voor een treinkaartje naar Antwerpen, waar hij woonde. Wat er toen gebeurde is van cruciale betekenis voor me, dat heeft mijn hele leven gevormd. Die man had ooit mijn moeder ernstig beledigd. Mijn vader stond op, liet de man binnenkomen en gaf hem wat hij verlangde.Toen hij vertrokken was, zei mijn vader: “Als die man die ons ooit zo heeft beledigd, nu bij ons moet aankloppen om hulp dan is hij door God gestraft.

En dat is genoeg”. Als mijn vader in mijn leven nooit iets anders had gezegd, was dit voor mijn opvoeding voldoende geweest.’

 

©Klaas Hendrikse

 

Mobiele versie afsluiten