Site icoon Dogmavrij

Hogeschooldocent over Mantel van angst: verplichte kost en een goudmijn

Zelden las ik een review die zo zorgvuldig is samengesteld als het boekverslag dat W.A. Christiaan Robbe (docent-onderzoeker Sociale Studies Avans Hogeschool), schreef over Mantel van angst. Het voelt als een warme steun in de rug dat hij zich zo verdiept heeft in mijn boek en vanuit zijn achtergrond en deskundigheid begrijpt hoe noodzakelijk het is om het te hebben over geloofsstress, kerkpijn en religieus trauma. Graag deel ik daarom de volledige tekst van deze review ook hier met jullie.

Boekverslag door W.A. Christiaan Robbe

Niets brengt mij meer rust en vrede dan een kaarsje opsteken bij een Maria-altaar in een met wierook, beelden en glas-in-loodramen vergeven (neo)gotische kerk. Mijn liberaal katholicisme vormt al jaren een bron van kracht. En voor talloze mensen wereldwijd zijn religie, geloof en spiritualiteit vooral positieve assets in het bestaan. Maar: wat als deze zaken juist geen verlichting brengen, maar het tegenovergestelde: angst, pijn, verlamming en verdriet?

Als docent Sociale Studies verbonden aan de AWEG-academie van Avans Hogeschool Breda en onderzoeker bij het lectoraat Veiligheid en veerkracht Den Bosch richt ik mij sinds enkele jaren op religie als fenomeen dat mensen zowel kan ondersteunen als beschadigen tijdens hulpprocessen. Daarbij ligt wat laatstgenoemde betreft de focus op de hulpvraag van personen die de littekens dragen van een negatieve ervaring met religie, geloof en spiritualiteit. Want nogmaals: zonder te ontkennen dat religie voor veel mensen een steunpunt is, blijkt dat er ook een andere zijde bestaat, één die in de hulpverlenende sector nauwelijks aandacht krijgt (zie o.a. Schoot et al. (2024) en Van Schaijk, Janssen et al., (2025)).

Met ‘Mantel van angst. Als religie onderdrukt, beschadigt of traumatiseert’ (2024) heeft Inge Bosscha een stem gegeven aan een zeer onderbelichte doelgroep: mensen met geloofsstress, kerkpijn en in het ergste geval Religieus Trauma Syndroom [RTS]. Met dit werk vult zij een leemte die al enige tijd in de hulpverlening bestaat. Het bevat zowel autobiografische elementen – hetgeen haar ervaringsdeskundigheid aantoont – als de verhalen van ettelijke ‘peers’ met dezelfde klachten. Deze getuigenissen zijn door de schrijfster verzameld en bestaan uit e-mails, privéberichten en gesprekken die meestal naar aanleiding van haar artikelen haar kant toe opkwamen.

De achtergrond van de schrijfster is de bevindelijk gereformeerde en hoewel haar geschrift de nadruk legt op het opgroeien in, worstelen met en verlaten van christelijke denominaties die onder de noemer ‘orthodox’ of ‘conservatief’ vallen, demonstreert Bosscha dat de mechanismen die tót geloofsstress, kerkpijn en RTS leiden in de kern bij alle religies en zingevingssystemen kunnen voorkomen, hetgeen het boek een nog grotere meerwaarde geeft.

Onvermeld mag niet blijven dat doorheen het werk (en ook op haar eigen website, Dogmavrij.nl) Bosscha aangeeft dat het boek geen aanval op religie is, of dat de beschreven klachten altijd of enkel het resultaat ervan zijn. Het wil vooral een licht schijnen op het leed van mensen die wél onder religie hebben geleden en vooralsnog bitter weinig gehoor vinden.

Terminologie

RTS, in 2006 door de Amerikaanse psychologe Arlene Winell ontwikkeld concept, stelt dat religie een individu op vier domeinen kan beschadigen: het cognitieve, het emotionele, het fysieke en het sociale. Religieuze denkbeelden en dogma’s kunnen bij bepaalde mensen leiden tot grote angsten (vooral m.b.t. God en het hiernamaals), onderdrukte emoties, zwart-wit denken, moeite met het nemen van eigen beslissingen, nachtmerries, verstoorde of onmogelijke (liefdes)relaties, lichamelijke klachten en, zeker wanneer een religie of religieuze gemeenschap is verlaten, sociale isolatie en eenzaamheid. Suïcidaliteit is eveneens een kenmerk, zeker onder mensen die tot  LGBTQ+ behoren (Winell, 2011).

Geloofsstress, waarbij aangeleerde leerstellingen tot innerlijk conflict leiden, en kerkpijn, waarbij men binnen de setting van een religieuze instantie schade ondervindt, zijn onderdeel van en soms opmaat naar RTS (Bosscha, z.d.).

Het boek verwijst meerdere malen naar RTS en de voornoemde website naar geloofsstress en kerkpijn. ‘Mantel van angst’ geeft voor alle drie voorbeelden van hoe deze fenomenen de kwaliteit van leven aanzienlijk kunnen aantasten.

Opzet en inhoud van het boek

Het boek is opgedeeld in drie delen. Het eerste, getiteld ‘Kom binnen en blijf binnen’, beschrijft de manieren waarop religie mensen kan binnenhalen en waarom het voor velen een hele klus is om religie vaarwel te zeggen, te meer wanneer schade is geleden. Het tweede, ‘Verborgen’, gaat uitvoerig in op díe facetten van religie die het meest en uiteindelijk ook het langst kunnen resulteren in beschadiging en zelfs trauma. Het derde en laatste deel, ‘De weg naar buiten’, komt tenslotte met instrumenten die kunnen helpen bij het loskomen uit een onderdrukkend religieus milieu, biedt tools om tot zelfheling over te gaan maar behandelt ook de voorkant: preventie.

Eerste deel: Kom binnen en blijf binnen

Bosscha beschrijft in het eerste deel haar eigen levensverhaal en hoe religie geleidelijk aan een beklemmend stempel drukte op alles wat zij dacht, deed en soms zelfs droomde.  Ze spreekt hier over hoe de drie-eenheid ‘onderdanigheid’, ‘manipulatie van gedachten’ en ‘bindingstactieken’ haar eigenlijk vanaf het begin klaargestoomd had om nooit te twijfelen, nooit te bevragen en vooral niets te doen wat haar zielenheil, of dat van anderen, in gevaar bracht.

Als lid van de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt kon zij in eerste instantie nog troost vinden in het idee dat zij tot de ‘uitverkorenen’ behoorde. Dit volgens de Calvinistische leer van de ‘dubbele predestinatie’, waarbij nog voor de wereld geschapen werd God de mensheid indeelde in ‘vaten van genade’ (eindstation: hemel) en ‘vaten van toorn’ (eindstation: hel). Zo beschrijft ze hoe, wanneer ze slecht in slaap kon komen, fantaseerde over die eeuwige hemel waar ze heen zou gaan en hoe goed het daar zou zijn. “Maar ik nam per ongeluk de verkeerde afslag”, herinnert ze zich, “en dacht aan wat er kon gebeuren als ik níet naar de hemel mocht” (p. 49).

Die nadruk die Bosscha legt op eeuwigheid is belangrijk. Want religieus trauma is in dat opzicht zo afwijkend van andere vormen van trauma: de angst voor de eeuwigheid. Hoe gruwelijk en pijnlijk ook, wanneer mensen aan angsten, stoornissen of ziekten lijden maar geloven dat na de dood al deze pijn voorgoed stopt, is er een vorm van hoop aanwezig die bij RTS ontbreekt: het idee dát het allemaal een keer voorbij is. Want zoals Bosscha en een keur aan slachtoffers geciteerd in dit werk aangeven: na dit sterfelijke leven is er nog die nooit stoppende eeuwigheid. En wanneer in het brein het idee postgevat heeft dat die eindeloze excursie naar het hiernamaals bestaat uit een onophoudend lijden in helse vlammen biedt zelfs suïcide geen uitkomst. Bosscha windt er in dat opzicht terecht geen doekjes om: de hel is geen schilderij van Hieronymus Bosch om je aan te vergapen of een hoofdstuk uit Dante om je literair mee te voeden. Het is een ordinaire maar zeer effectieve vuurzee, ontdaan van alle opsmuk, die niet alleen jou, maar ook je geliefden simpelweg martelt.

De auteur geeft daarnaast een treffend voorbeeld van zowel geloofsstress als kerkpijn wanneer ze haar ervaringen met de kerkelijke tuchtraad beschrijft. Haar huwelijk op dat moment was verre van liefdevol. Toen zij zwanger was van haar eerste man, is zij gevlucht naar een opvanghuis, omdat binnen haar huwelijk sprake was van mishandeling. Het kerkelijk gezag was van mening dat scheiden niet geoorloofd was en toen Bosscha toch de scheiding doorzette, werd zij onder kerkelijke tucht geplaatst. Het boek beschrijft tot in detail de zoektocht naar veiligheid en tegelijkertijd de angst om daardoor voorgoed verloren te gaan.

Van het meisje van pakweg zeven jaar oud dat met volle overtuiging een oud dametje met boodschappen hielp zodat ze haar over Jezus Christus kon vertellen en bekeren, tot de twintigjarige moeder die wegvluchtte van echtgenoot en kerk, het gehele eerste deel van het boek geeft in geuren en kleuren weer hoe Bosscha RTS ontwikkelde. Alleen daarom al is het verplichte kost voor elke hulpverlener.

Tweede deel: Verborgen

In het tweede deel, het langste, komen de verschillende manieren waarop religie kan beschadigen aan bod en de mogelijke gevolgen ervan. Bosscha beschrijft hier in tien hoofdstukken (6 t/m 16) hoe het opgroeien in een hechte maar ook gesloten kerkgemeenschap, met een strak gekaderde en onfeilbare leer, tot meerdere problemen kan leiden die alle gerelateerd zijn aan RTS:

Elke nuance ontbreekt in een leer die zo duidelijk stelt dat het gehele bestaan is opgedeeld in twee compleet tegenstrijdige kampen. Bosscha beschrijft hoe dit kan resulteren in een uitschakeling of onderdrukking van het eigen denken. Twijfel is uit den boze en een teken van ongeloof. Die rigide scheiding tussen binnen- en buitenwereld kan leiden tot een wantrouwen tegenover de laatste. Daar, in het rijk van de duivel, gebeurt alles wat God verboden heeft en diezelfde duivel ligt steeds op de loer om je er heen te slepen.

“Het voelde altijd alsof ik een achterstand had”, getuigt een slachtoffer. “Niet alleen was ik opgegroeid in een subcultuur met specifieke regels en gebruiken, maar ook in mijn persoonlijkheidsontwikkeling leek ik anders te zijn. Ik was niet in balans […]” (p. 66).

Een andere ex-gelovige verhaalt hoe snel zij de Boze overal waarnam: “Elke keer als ik iets leuk of goed van mezelf vond, raakte ik in paniek. De duivel wilde natuurlijk dat ik zo dacht! […]” (p. 69).

En zoals Bosscha stelt, het gevolg van bij de uitverkoren groep willen blijven, omdat daar beneden de hel dreigt, “maakt het heel moeilijk om anders te gaan denken, kritiek te hebben of de groep te verlaten” (p. 54).

Gevoelens van schaamte, schuld, tekortkoming en angst voor bestraffing wanneer ondanks alle inzet alsnog een fout (‘zonde’) is begaan leidt bij sommige RTS-slachtoffers tot vormen van depressie, bij anderen tot een overdreven perfectionisme en geheel wegcijferen van de eigen belangen. “Sommige gelovigen”, aldus Bosscha, “kunnen hierdoor druk ervaren, vooral wanneer zij niet geleerd hebben hun persoonlijke grenzen te herkennen en benoemen” (p. 60). Hetgeen verband houdt met het volgende punt.

Dat kan, zoals het boek met soms gruwelijke persoonlijke verhalen van slachtoffers demonstreert, ver gaan. Van kinderen geslagen door hun ouders – ‘de corrigerende tik’ (p. 80-82) – tot het ondergaan van seksueel misbruik (p. 92-94), steeds komt naar voren hoe afstomping van het eigen gevoelsleven de ontwikkeling van de eigen identiteit dwarsboomt: “Je voélt je irritatie amper, of niet, of veel te laat. Je weet misschien ook niet goed wat je fijn vindt en kunt jezelf niet aansturen. Je kent jezelf niet. Je kent alleen de leer” (p. 74).

Hierbij legt Bosscha ook de vinger op een zere, zo niet zwerende, plek: in de meeste traditioneel beleefde vormen van Abrahamitische religies (jodendom, christendom, islam) is sprake van een duidelijk onderscheid tussen man en vrouw, waarbij de dominante positie van de eerste haast een gegeven is. Juist vrouwen lopen in dergelijke settingen risico om schade op te lopen, door het moeten erkennen van een ‘ondergeschikte’ positie en het uitschakelen van de eigen gevoelens (p. 87-90).

Zo zijn er meer voorbeelden van slachtoffers in het boek te vinden, waarbij schaamte voor het deel uitmaken van wat de voornamelijk seculiere maatschappij als apart ziet de boventoon voert.

Maar die afzondering leidt zeker ná uittrede uit een geloofsgemeenschap tot extra problemen. Wanneer men is aangeleerd de buitenwereld en buitenstaanders te wantrouwen is het bijzonder moeilijk aansluiting te vinden met die nieuwe wereld. Het sociaal netwerk van slachtoffers bestaat grotendeels uit leden – niet zelden familie – van de religieuze gemeenschap die ze vaarwel hebben gezegd. “Sinds ik in therapie ben gegaan is het mis”, vertelt een slachtoffer. “[Mijn ouders] praten niet meer met me. Ze zijn woest. Hoe durf ik uit de school te klappen[.]” (p. 75).

Het fijne van dit deel van het boek is dat het na elk hoofdstuk een lijst met veelvoorkomende gevolgen weergeeft. Daarbij merkt Bosscha wel steeds op dat deze niet automatisch, altijd of enkel het resultaat zijn van traumatische ervaring met religie. Het geeft echter wel een indicatie van negatieve effecten van het opgroeien en geloven in en onderdeel zijn van een meer gesloten, strenge of simpelweg negatief beleefde religieuze omgeving. Haar bevindingen sluiten naadloos aan op het revolutionaire werk van voornoemde Winell: mensen die aan RTS lijden ervaren significante problemen met het vinden van een eigen identiteit, het maken van eigen beslissingen en het aangaan van relaties. Daaraan gekoppeld kampen zij vaak met angststoornissen, depressie, dwangmatig denken en gevoelens van chronische tekortkoming, schuld en/of juist boosheid. In extreme gevallen, zeker waar het sterk geïsoleerde religieuze gemeenschappen betreft, hebben zij soms te maken gehad met manipulatie door religieuze personen met een machtsfunctie (dominee, pastoor, ouderling, diaken, imam, rabbijn etc.) culminerend in lichamelijk, mentaal en seksueel misbruik.

Derde deel: De weg naar buiten

Het derde deel toont aan hoe weinig professionele hulp er nu bestaat voor deze mensen. RTS is geen erkende aandoening, ontbreekt in de DSM-V en uit onderzoek van Schoot et al. (2024), de GGZ (2024) en Van Schaijk & Janssen et al. (2025), blijkt dat binnen de psychologie zelf weinig interesse bestaat in de materie. Hooguit zet men de al aanwezige religie bij mensen met psychologische problemen in als mogelijk krachtpunt. Niet onterecht, want zoals uit meerdere studies blijkt, kan dat absoluut heilzaam zijn (zie o.a. Robertson, 2008; Vieten & Lukoff, 2021).

De nuance van Bosscha’s insteek blijkt hier opnieuw wanneer zij hulpbronnen binnen de religieuze gemeenschap zelf noemt als mogelijke eerste opstap naar verlichting van leed. Enerzijds waarschuwt ze voor ‘hulp’ die vooral wil bagatelliseren en wegkijken, anderzijds geeft ze aan dat er ook zeker voorbeelden zijn waarbij men adequaat ingrijpt door daadwerkelijk te luisteren en actie te ondernemen.

Voor de meeste slachtoffers, echter, is de kerk, moskee of religieuze gemeenschap geen serieuze plek (meer) om hulp te zoeken. Daarvoor zijn de wonden te diep. Wat de situatie van deze mensen zo kwetsbaar maakt is dat, zoals vermeld, zij vaak hun hele identiteit en sociale netwerk gevormd hebben tijdens hun ‘religieuze jaren’. Voor het overgrote deel bestaat dit segment uit zogenaamde ‘tweede generatie’ ex-gelovigen: zij die geboren en opgegroeid zijn binnen de gemeenschap en de leer en ook nooit hebben kunnen kiezen voor lidmaatschap (zie Van Schaik & Janssen et al. (2025)).

Bosscha demonstreert dat deze ‘verlaters’ op weinig sympathie van de groep waartoe men eens behoorde kunnen rekenen. Het ‘terug willen praten’, vaak met verwijzingen naar heilige teksten, uitspraken dat men voor de ‘afgedwaalde’ zal bidden of regelrechte bedreigingen met hel en verdoemenis, zijn tactieken die meerdere slachtoffers hebben ervaren. Ook ‘gaslighting’ komt veelvuldig voor: de ex-gelovige krijgt te horen dat hij schuld heeft aan de binnen de familie of het gezin ontstane kloof of voor het ‘buitenhangen van de vuile was’.

Hoe kan men leed dan mogelijk wel verzachten? Voor Bosscha staat bovenaan dat er volledige erkenning moet zijn voor de beslissing van een individu om te stoppen met geloven of deel uit te maken van een religieuze gemeenschap.

Voorts mag het slachtoffer ruimte geven aan jarenlange onderdrukte emoties, vooral boosheid. Wanneer men onrecht is aangedaan, fysiek, mentaal of spiritueel, is woede een normale reactie, geen teken van ‘duivelse bevlieging’ of ‘zwakte’. Het kan zelfs dienen als eerste opstap naar herstel en het vormen van de authentieke eigen identiteit. “Een reactie op onderdrukking is vrijwel altijd heftig”, aldus de auteur. “En lijkt bijna altijd buiten proporties. Maar ze is nodig om je te laten begrijpen hoe groot de impact van het onrecht was en om de balans weer te herstellen” (p. 134). Een aangrijpend verhaal over hoe één van de in het boek genoemde personen via het uiten van onderdrukte emoties uiteindelijk tot zichzelf kwam (p. 136-142) bevestigt die uitspraak.

Voor slachtoffers met angstklachten met betrekking tot een wraakzuchtige God of een brandende hel komt Bosscha met een verrassende, maar zeer treffende manier om ‘om te denken’. Ex-gelovigen hebben vaak bepaalde (Bijbel)verhalen op slechts één wijze ontvangen en geleerd. Zoals correct aangetoond bestaan er niet alleen legio verschillende opvattingen en interpretaties van deze verhalen, de bron ervan, de Bijbel, is zelf een verzameling boeken samengebracht na een lang proces van redactie en canonisering. Bosscha geeft aan dat het slachtoffers kan helpen om ándere dan de opgelegde strekking van verhalen te lezen en/of om de historische achtergrond van zekere fenomenen, waaronder het concept van de hel, te bestuderen. Op die wijze, aldus het boek, ontstaat er ruimte voor nieuwe inzichten die tegenwicht kunnen bieden aan de denkbeelden die slachtoffers jarenlang gekweld hebben. Een handige lijst met nuttig referentiemateriaal hieromtrent is in dit hoofdstuk aanwezig.

Het pittigste hoofdstuk is wellicht waar niet slachtoffers, maar daders centraal staan. Zoals de auteur aangeeft heeft zij zelf een tweede ervaring met een kerkelijke tuchtcommissie als prettig ervaren omdat ze serieus genomen werd en de commissie actie ondernam. Maar dat er ook kerkelijke functionarissen en ambtsbekleders zijn die leed niet alleen bagatelliseren maar er soms zelfs de oorzaak van zijn, valt niet te ontkennen. Voorbeelden van te over in het boek. Bosscha roept hen op verantwoordelijkheid te nemen voor gedrag dat bij slachtoffers extra schade heeft aangebracht. Dat rangeert van mentale en spirituele onderdrukking tot ernstige vormen van fysiek misbruik. Overigens schuwt Bosscha hier ook niet ouders die hun kinderen RTS hebben bezorgd te noemen.

Voor hulpverleners is het hoofdstuk dat omgaan met RTS-slachtoffers behandelt een absolute goudmijn. Om nog maar eens te benadrukken: binnen de hulpverlening bestaat op dit moment nauwelijks tot geen kennis van klachten gerelateerd aan religieus trauma. Uit onderzoek van Van Schaijk & Janssen et al. (2025) blijkt hoe desastreus het kan uitpakken wanneer slachtoffers zich niet gehoord voelen. Ook Bosscha noemt voorbeelden waar deze doelgroep tegen aanloopt wanneer de weg naar hulp is gevonden: geen kennis van religie bij de hulpverlener, onderschatting van religie als schadelijk fenomeen, soms zelfs een passief-agressieve houding ten opzichte van de materie (zie ook Schoot et al. (2024)) of juist goedbedoelde maar averechts werkende adviezen: oproepen tot terugkeer naar een religie of kerk of juist een frontale aanval op de religie die is verlaten. Dat laatste kan problematisch zijn omdat, zoals meerdere onderzoeken aantonen, de ex-gelovige vaak nog gevoelens van loyaliteit heeft voor de groep die is verlaten. Nergens zal Bosscha stellen dat elke hulpverlener een volleerd theoloog moet zijn. Echter, rudimentaire kennis van de traditionele, grote godsdiensten – en in Nederland vooral het christendom en islam – is essentieel bij het behandelen van slachtoffers. Zo ook het bieden van een geheel open en vrij podium: is een hulpverlener niet direct op de hoogte van het denken binnen een bepaalde religie is het aan te bevelen om de hulpvrager ruimte te geven dat uit te leggen. Het boek bewijst zijn waarde alleen al hierdoor, dat het onontgonnen gebied blootlegt en hulpverleners een buitengewoon handig instrument biedt om RTS-slachtoffers te herkennen en te behandelen. [IB5]

Conclusie

Religie en spiritualiteit bieden de mensheid al eeuwenlang hoop, steun en troost. Maar zoals aangetoond kunnen deze fenomenen ook op negatieve wijze levens beïnvloeden. De voortgaande secularisering heeft geleid tot een afname van kennis van religie in de samenleving in het algemeen, en in de hulpverlening in het bijzonder. Hoewel in sommige gevallen religie en spiritualiteit tijdens hulptrajecten wel gezien worden als heilzame middelen om een proces naar herstel te stimuleren, betreft het omgaan met RTS, geloofsstress en kerkpijn nog grotendeels een vraagteken. Het leed is echter reëel en kan mensen, soms zwaar, beschadigen.

‘Mantel van angst’ is daarom een essentieel werk dat in de bibliotheken van hulpverleners niet mag ontbreken. Deze perfecte mix van persoonlijke ervaringen en psychologische duiding is, voor zover ik weet, het eerste boek in Nederland dat deze problematiek diepgaand beschrijft. Maar dat niet alleen: het geeft ook tips ter preventie, instrumenten om tot (zelf)heling over te gaan en een uitgebreide, op categorieën ingedeelde bronnenlijst ter verdere ontdekking en verdieping.

Bosscha heeft met haar boek een flinke sluier van een taboe opgelicht.

Bronnen

Bosscha, I. (2024). Mantel van angst. Als religie onderdrukt, beschadigt of traumatiseert. Kokboekencentrum.

Bosscha, I. (z.d.). Dogmavrij? Dogmavrij.nl. Geraadpleegd op 1 januari 2025 via https://dogmavrij.nl/over/.

Geestelijke Gezondheidszorg [GGZ]. (2024). GGZ Standaarden. Zorgstandaard. Zingeving in de psychische hulpverlening. Geraadpleegd op 1 december 2024 van https://www.ggzstandaarden.nl/zorgstandaarden/zingeving-in-de-psychische-hulpverlening/introductie

Robertson, L. (2008). The Spiritual Competency Scale: A Comparison To The Aservic Spiritual Competencies. [Proefschrift]. University of Central Florida. Geraadpleegd op 29 november 2024 via https://stars.library.ucf.edu/etd/3549.

Schoot, M., Bartels-Velthuis, A.A., Recchia, D.R., Frick, E., Büssing, A. & Hoenders, R. (2024). Translation and Validation of the Dutch Version of the Spiritual Care Competence Questionnaire (SCCQ-NL). Religions, 15, 496. https://doi.org/10.3390/rel15040496.

Van Schaik, B.M., Janssen, J.H.J.L., Robbe, W.A.C. & Doomen, J. (2025). Uittreding uit gesloten gemeenschappen met een religieus karakter. Terminologie en randvoorwaarden voor hulpverlening. Open Universiteit.

Vieten, C., & Lukoff, D. (2022). Spiritual and religious competencies in psychology. American Psychologist, 77(1), 26–38. https://doi.org/10.1037/amp0000821.

Winell, A. (2011). Religious Trauma Syndrome: it’s time to recognize it. Cognitive Behavioural Therapy Today 39 (2), 16-18.

©W.A. Christiaan Robbe, docent-onderzoeker Sociale Studies Avans Hogeschool

Mobiele versie afsluiten