Dit is een gastblog van Maria (37), afkomstig uit de Nederlands Hervormde gemeente op Gereformeerde grondslag. (Vergelijkbaar met de Gereformeerde Gemeente, ook wel ‘zwarte kousen kerk’ genoemd.)
Waar zat je nu met je gedachten, Hanna? “, zegt de juf als iedereen na de schoolbel de klas uit is gelopen. Ze is op mijn tafeltje gaan zitten en kijkt me vragend aan. Ik zit stokstijf op mijn stoel en frunnik wat aan de gehaakte randjes van mijn kniekousen. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Hakkelend zeg ik: “Uhm, ik, ik weet het niet, juf.”
“Maar ik merk iets aan je de laatste tijd. Je ziet er soms zo moe uit. Is er thuis iets aan de hand?”
“Nee hoor. Mama krijgt bijna de nieuwe baby.”
“Aha. Dat dacht ik al. En hoe vind jij dat, Hanna?”
Dat heeft nog nooit iemand aan mij gevraagd. Wat ik van iets vind. “Je hebt niks te vinden”, zegt papa altijd. “Wat jij vind mag je naar de politie brengen”. Ik begrijp niet wat hij daarmee bedoelt, ik weet alleen dat ik dan mijn mond moet houden. Maar nu, nu moet ik iets antwoorden.
“Ik…ehm…ik vind het wel leuk. Maar ook wel spannend.”
Ineens voel ik tranen prikken achter mijn ogen. Er rolt er een over mijn wang. De juf pakt mijn hand in de hare. “O, Hanna, toch”, zegt ze, “wat vind je dan zo spannend?”
En dan vertel ik haar over wat de dominee zei over het komende oordeel. Dat de wereld binnenkort vergaat. En dat wij dan een baby hebben en dat die dan ook doodgaat. En waarschijnlijk naar de hel, omdat een baby nog geen nieuw hartje kan hebben. En dat ik dat niet wil, omdat ik bang ben dat ik dan al van die baby houd.
De juf laat me helemaal uitpraten. Dan is het even stil en zegt ze: ”Luister Hanna, ik weet dat er bij jou thuis en in de kerk zo over gedacht wordt. Maar ik ga je nu iets zeggen dat je de rest van je leven moet onthouden, baby’s gaan niet naar de hel.. Dat kan niet. Ze hebben nog nooit een zonde gedaan. En ik denk ook niet dat de wereld zomaar zal vergaan. Moet je eens kijken hoe mooi God hem heeft geschapen? Dat heeft Hij toch niet gedaan om alles maar te laten vergaan?” Ik kijk de juf aan met grote ogen. Hoe durft ze dit allemaal te zeggen? Hoe weet zij wat de waarheid is? Is ze dan helemaal niet bang?
Ik weet niet meer wat ik nu moet geloven. Moet ik geloven wat papa zegt? En wat de dominee zegt? Het allerliefste wil ik de juf geloven. Ze zegt van die lieve dingen waardoor ik me niet meer zo bang voel. Ik zou wel weg willen kruipen in haar armen en nooit meer bang willen zijn. Maar ik weet ook dat dit de duivel kan zijn, die me deze dingen in mijn oor fluistert via haar mond. De woorden van de dominee komen ineens in mijn hoofd.
“Want de duivel gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou kunnen verslinden.”
De duivel was ook de slang in het paradijs. Eva geloofde hem en daardoor kwam er een zondeval. Omdat zij die slang zo gemakkelijk geloofde.
Ik spring op van mijn stoel en zeg: “Ik moet mama nog helpen met het avondeten. Ze zal wel ongerust zijn.”
De juf staat op en legt haar hand op mijn schouder. “Lieve Hanna”, zegt ze, “vergeet niet dat je altijd naar me toe kunt komen als je ergens mee zit. En je best doen hier in de klas, hoor. Dat is ook belangrijk voor later”. Ik knik en wurm me onder haar hand vandaan. “Ja, juf. Dag juf.”
Ik gris mijn zomerjas van de kapstok en vlieg de schooldeuren uit naar buiten. De felle zon verblindt me bijna. Zo hard als ik kan ren ik naar huis. Als een vogel zonder vleugels.
Vleugels
Nog jaren nadat ik de kerk had verlaten voelde ik me zo. Soms een letterlijke pijn in mijn armen. Mijn vleugels waren bij mijn geboorte afgeknipt, en zodra ze aangroeiden werden ze weer afgeknipt. Ik mocht niet zijn wie ik ben, ik mocht niet vliegen, mezelf ontplooien.
Ik ben opgegroeid met een negatief zelfbeeld. Een slecht mens, een zondares, geneigd tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed. Met als straf op de zonde: ellende, moeite, verdriet, ziekte en als ultieme beloning: voor eeuwig branden in de hel, voor eeuwig dorst, voor eeuwig alleen, voor eeuwig roepend om verlossing tussen vlammen van een onwaarschijnlijke hitte. Opgevoed met de wetenschap van minimale uitzonderingen op de regels, het kleine groepje dat bekeerd was, het miniscule van die redding. Geen enkele kans maakte ik er op, ik moest er niet eens aan denken dat dat voor mij zou zijn weggelegd. De hemel was een plaats met weinig ruimte.
Ik was een dromerig meisje, geboren in een orthodox-reformatorisch nest. Een meisje dat veel nadacht, veel vragen stelde. Een nieuwsgierig meisje. Een lief meisje. Maar al zolang ik me bewust was van mijn eigen gedachten wist ik dat er iets niet klopte. Ik paste er niet.
Toch deed ik alles om wel te passen. Elke avond biddend op mijn blote knietjes vroeg ik de Heere of hij mij al mijn zonden wilde vergeven. Elke dag deed ik mijn uiterste best op school. Elke zondag zat ik in de kerk en hoopte ik dat de dominee iets zei wat op mij sloeg. Ik zocht de Heere, dat was zeker. Maar ik vond Hem niet.
Ik twijfelde teveel, ik vroeg teveel. Ik kon maar niet geloven dat het met elkaar klopte. Ik leerde over erfzonde, dat als een baby wordt geboren, hij of zij al besmet is met erfzonde via z’n ouders. Ik zag veel baby’s in mijn omgeving, ik observeerde ze en geloofde niet dat ze iets slechts in zich konden hebben, dat bestond niet. En toch zeiden ze dat. Ik begreep er helemaal niks van.
Ik was ook zo ontzettend bang voor de dood, die voor mij 100% zeker zou eindigen in de hel, een eeuwig brandend vuur. Ik was bang dat Jezus terugkwam op de wolken, om te oordelen over de levenden en de doden. Ik heb het me wel duizend keer zo levendig voorgesteld, hoe dat zou zijn als Hij ineens totaal onverwacht terugkwam. En ik onvoorbereid, mijn genadetijd opgebruikt aan schijnbaar nutteloze dingen. Ik bedelde aan de troon der genade, urenlang, nachtenlang. Ik kon niet sterven zoals ik geboren was. Er moest iets veranderen. Ik moest me bekeren, hoe dan ook. Tegelijk werd me verteld dat bidden en bijbellezen je zaligheid niet kon bewerken. Dat kon alleen als er in je hart werd gewerkt door de Heilige Geest.
En toen werd ik groter en ouder en keerde ik me van alles af. Ik haatte de schijnheiligheid, ik haatte de negativiteit, de enorme kortzichtigheid en vooral de angst in mijn opvoeding.
Nadat ik brak met het geloof werd er hard gebeden voor mijn redding. Maar mijn redding waren mijn vleugels. Nu, jaren later, beginnen mijn vleugels te groeien. Ze zullen altijd klein blijven, maar ze mogen er zijn. Ze betekenen mijn vrijheid, mijn innerlijke rust.
Het heeft lang geduurd voordat ik de haat en de angsten heb kunnen loslaten. De vleugels groeien omdat ik mijn doodsangst in de ogen kijk, omdat ik mijn haat laat oplossen. Omdat ik ervoor kies te leven in liefde, in kracht en in licht. Moeilijk blijft het, om liefde te aanvaarden en te omarmen en al het negatieve los te laten. Af en toe lukt het, en dan voel ik een stukje hemel.
Eigenlijk is dankbaarheid het sleutelwoord. Ik ben nu dankbaar dat ik zo ben opgegroeid. Juist het leven met pijn en angst hebben mij een sterker en mooier mens gemaakt. Ik heb de kracht gevonden om het negatieve om te draaien in het positieve, in liefde en warmte. Het heeft ervoor gezorgd dat ik in staat ben om mijn gevoel te uiten in woorden, iets wat heel veel volwassenen om mij heen niet kunnen en nooit zullen leren. Ik heb mensenkennis gekregen, ik zie wie een zuiver hart heeft, en stapje voor stapje leer ik mijn gevoel te vertrouwen en te volgen.
Dankbaarheid geeft mij vleugels.
Maria, 37 jaar.
