Op Refoweb vraagt een echtpaar om advies. Hun dochter – thuiswonend in een reformatorisch gezin met opgroeiende kinderen – gelooft niet. Ze bezoekt op zaterdag festivals, komt in de loop van de zondag thuis en slaapt soms bij een ‘vriend’.
Een predikant reageert met begrip voor het verdriet van de ouders. Hij benoemt hun machteloosheid, wijst op het belang van gebed en moedigt aan tot liefdevolle maar duidelijke grenzen.
Daarbij maakt hij de volgende opmerking:
“Het blijft overigens wel belangrijk dat jullie dochter steeds wel de pijn blijft voelen die ze jullie daarmee aandoet.”
Ik kijk op van mijn scherm en laat de zin bezinken. Ik weet dat voor gelovige ouders het verdriet om een ongelovig kind zeer heftig kan zijn. Ik zag het in hun ogen en las het in hun mails en berichten. Het idee dat hun kind voor eeuwig ‘verloren’ zou kunnen gaan, houdt ouders soms echt wakker.
Ik wil niets afdoen aan dit leed. Maar ik vraag me wel af waarom het verdriet van de ouders gevoeld moet worden door het kind. En of het eigenlijk wel klopt dat het kínd degene is die de ouders pijn bezorgt.
Ook al is de pijn van ouders reëel en begrijpelijk, toch ontstaat die pijn niet alleen door het gedrag van hun kind. Hun overtuigingen, verwachtingen en morele kaders spelen daarin eveneens een rol.
Het is goed mogelijk dat de keuzes van de dochter van het reformatorische echtpaar bij andere ouders nauwelijks spanning zouden oproepen. In een andere context krijgt haar gedrag een andere betekenis, bijvoorbeeld als onderdeel van volwassen worden.
In dit geval wordt de pijn van de ouders mede gevormd door de betekenis die zij geven aan de keuzes van hun dochter.
Dat deze verantwoordelijkheid vaak wel bij het kind terechtkomt, blijkt uit de verhalen van kerk- en geloofsverlaters. Zo vertelt Carolien:
“Mijn broer zei dat als ik nou weer gewoon naar de kerk zou gaan, onze ouders geen verdriet meer zouden hebben. Hij is boos omdat ik hun dit aandoe.” – Carolien (Bron: Mantel van angst, pag. 126)
Achter zulke woorden ligt vaak geen kwaadwillendheid, maar wel de gedachte dat het kind de oorzaak is van het verdriet van de ouders en dus ook degene is die dat verdriet zou kunnen wegnemen. Dat legt een zware verantwoordelijkheid bij degene die een andere weg is gegaan.
Maar het laatste wat ik wil, is dat we nu de ouders tot schuldige verklaren. Dat zou het onrecht alleen maar verplaatsen. Het gaat bij kerkverlating en geloofsverlies niet om schuld, maar om inzichten en keuzes.
Zowel de ouders als de dochter maken keuzes die hen goed lijken. En het is ingewikkeld als hun inzichten daarin verschillend zijn, maar dat maakt hen niet schuldig. Dat kan wel een laag van verdriet geven binnen de relatie. Maar dat is niet iets dat alleen de ouders voelen.
Ook het kind ervaart doorgaans verdriet omdat de levensbeschouwelijke inzichten van de ouders anders zijn, waardoor de ouders vaak ook moeite hebben om trots op hun kind te zijn. Dit verdriet is voor alle betrokkenen voelbaar, zonder dat iemand daar schuldig aan is.
Ik zou deze ouders willen adviseren om hun dochter niet te belasten met hun verdriet, maar ruimte te maken voor het hare. Om als (bijna) volwassenen een goed gesprek met elkaar te hebben, van hart tot hart. Waarbij het verdriet zeker benoemd mag worden, maar dan wel binnen een context van wederkerigheid.
Wat me opvalt in deze mailwisseling, is dat het nu vooral lijkt te gaan om een probleem dat opgelost moet worden. Maar de dochter is niet alleen iemand met wie de ouders van mening verschillen, zij is vooral hun dochter. De vraag is daarom misschien niet: hoe krijgen we haar weer op ons spoor? Maar: hoe blijven we in liefde met elkaar verbonden, terwijl we verschillend denken en leven?
Omdat de dochter nog thuis woont, is het normaal dat er afspraken zijn over samenleven en wederzijds respect. Maar er mag onderscheid zijn tussen zaken die je met elkaar kunt afspreken (bijvoorbeeld communicatie, rekening houden met elkaar, bijdragen in huis) en zaken die je uiteindelijk niet kunt afdwingen, zoals geloof, overtuigingen of liefdesrelaties.
Jaren geleden stelde een therapeut mij een vraag die me is bijgebleven: hoe had ik gewild dat mijn ouders op mijn kerkverlating hadden gereageerd? Later schreef ik thuis het volgende op.
“Lieve dochter,
Ondanks dat we zo verschillend zijn gaan denken over een heleboel dingen, willen we dat je één ding altijd onthoudt en dat is dat onze liefde onverminderd blijft. Natuurlijk hebben we verdriet omdat we niet langer door dezelfde levensbeschouwelijke bril kijken. Maar dit verdriet heb jij ook. En geen van ons vindt het fijn dat de ander verdriet heeft. Ook zijn we daar geen van drieën op uit. We willen het juist samen goed hebben. En nu dit door onze verschillen ingewikkelder is geworden, willen we je beloven dat we altijd onze uiterste best zullen doen om naar je uit te reiken. En we hopen dat jij dat ook naar ons zult doen. En dat je je hart zult blijven delen, ook wanneer je anders denkt dan wij. We beloven dat we zullen proberen om je te accepteren zoals je bent. Omdat we voor altijd van je zullen houden.
Liefs, Papa en Mama”

