Site icoon Dogmavrij

Ambivalent gehecht aan Vader God

‘Vandaag in therapie besefte ik ineens dat ik warmte zoek waar ik kou krijg. En ik zag mezelf weer staan in de donkere gang, rillend in mijn dunne nachtpon. Door het rookglas in de deur scheen het geeloranje licht van de woonkamer. Ik hoorde gekuch en het ritselen van een krant. Ik hunkerde naar koestering. Maar als ik alleen nog maar de deurklink in zou drukken, zou het onderkoeld klinken: “Wat kom jij doen?”  

Ik denk dat ik God ook zo ervaren heb. Hij was als die warme kamer. Ik wilde niets liever dan naar binnen gaan. Erbij horen. Op schoot mogen en lief gevonden worden. Soms was ik daar. Maar soms stond ik buiten. Rillend van schuld.’ – Citaat uit mijn dagboek, 2009 

Warmte en kou. Je geliefd weten en bang zijn voor straf. Je kunt ambivalente gevoelens hebben als je aan God denkt. Veel (voormalig) christenen leerden God zien als hun hemelse Vader. Deze Vader met een hoofdletter is niet alleen de bron waaruit we zijn voortgekomen, maar ook de Vader die ons eindeloos liefheeft en voor ons zorgt.  

Tegelijkertijd is deze Vader ook degene die ons snoeit, als ranken van een druif, en ons kneedt en vormt, als klei in de hand van de pottenbakker. Ik geloofde dat pijn betekende dat God mij aan het verbeteren was. Hij had een plan met mij en ik voelde me bevoorrecht omdat Hij in mij wilde investeren. Pijn en lijden was iets goeds. Zalig zij die treuren.  

Deze overtuiging ging zo ver dat als iemand mij pijn deed, ik niet probeerde om dit onrecht zo snel mogelijk te stoppen. In plaats daarvan vroeg ik me af wat ik te leren had. Ik was altijd gericht op verbetering. Ik ervoer altijd noodzaak en druk om het juiste te doen.  

Ik wilde niet dat God mij zou straffen. Ik mocht in geen geval in de greep van de duivel komen. Ik moest mezelf, mijn oude mens, kruisigen. Daarna kon ik vernieuwen. God moest dat doen in mij. Uit mezelf kon ik niks. Dat wil zeggen: niks goeds. Het enige dat ik kon was zondigen en mijn schuld voor mijn hemelse Vader elke dag groter maken.  

Ik was altijd geliefd en ook altijd schuldig. Ik hunkerde naar méér van God en zocht bewijzen van zijn liefde. Tegelijkertijd kromp ik ineen. Want wie dacht ik wel dat ik was? Hoe durfde ik te twijfelen? Als ik mijn gezicht naar Hem zou opheffen, zou Hij me dan een tik geven of streek hij teder het haar uit mijn gezicht en kuste hij mijn voorhoofd?  

Alles kon, want God had het recht. Het zou altijd goed zijn. Maar ik wist nooit waar ik aan toe was.  

Velen zijn in meer of mindere mate onveilig ambivalent gehecht aan God. Het thema ‘vader’ kan om diverse redenen beladen zijn en een ingewikkeld godsbeeld kan daarbij ook een rol spelen.  

Als je een belastend, onveilig en ingewikkeld godsbeeld hebt, kan het goed zijn om dat eens tegen het licht te houden. Waar is dit godsbeeld op gebaseerd? Klopt het? Kan je dat zeker weten?  

Het kost vaak veel tijd om je godsbeeld te veranderen. (Ik bedoel ‘veranderen’ in de breedste zin van het woord, van ‘God bestaat en is te kennen’, tot ‘God bestaat niet’.) Velen ervaren – bewust of onbewust – hun godsbeeld als God. Het kan dan voelen alsof je God probeert te veranderen. Maar de Werkelijkheid (of God) is wat het is. Hoe wij daarover denken bepaalt hoe wij dit ervaren. Als we onze aannames veranderen, veranderen we daarmee onze beleving.  

Alles kan anders worden. Niet omdat we moeten verbeteren, maar omdat we mogen loslaten wat ons geen goed doet.  

Mobiele versie afsluiten