De Christelijke Gereformeerde Kerken

Christelijk Gereformeerde Kerk

In 1816 werden de grondslag en de organisatie van de Geref. Kerken in Nederland wezenlijk veranderd. Zo ontstond de Ned. Herv. Kerk. Hierop volgde in 1834 de Afscheiding. Vanaf 1869 droegen de afgescheiden kerken de naam “Christelijk Gereformeerde Kerk”.
In 1886 en volgende jaren brak opnieuw een aantal gemeenten met de Herv. Kerk (bij de zgn. Doleantie; doleren = klagen).
In 1892 hebben de afgescheidenen en de dolerenden zich verenigd. Zij gingen samen verder onder de oude naam “De Gereformeerde Kerken in Nederland”. De grondslag was weer: Schrift en belijdenis. De organisatie was weer volgens de Kerkorde van Dordt. 1618/19.
Ondanks deze gereformeerde grondslag en organisatie deden drie afgescheiden kerken niet mee met de Vereniging. Zij bleven apart staan als “Christelijk Gereformeerde Kerk.” Eén van hun bezwaren tegen de Vereniging was de visie op “verbond en doop” bij bepaalde dolerende voorgangers (zie over deze visie de les over de Geref. Syn. Kerken). Later hebben ook afgescheidenen uit andere plaatsen zich bij de Chr. Geref. Kerk (CGK) aangesloten. Verdere groei van de CGK kwam door regelmatige ‘overkomst’ van anderen uit diverse kerken (bijv. ook uit de geref. gemeenten en de geref. bond). Dit verklaart het ontstaan van een belangrijke ‘bevindelijke’ groep binnen de CGK.
Mee onder invloed hiervan is het ook na de Vrijmaking van 1944 nog nooit tot hereniging gekomen van al die gereformeerden, die samen de synodale visie op “verbond en doop” afwezen. De ‘bevindelijken’ hebben als bezwaar tegen de vrijgemaakten, dat zij teveel uitgaan van het volbrachte werk van Christus voor ons, en te weinig aandacht geven aan het werk van de Heilige Geest in ons. Wie door de doop van Christus verbonden is zou volgens de vrijgemaakte visie, al te gemakkelijk kunnen denken dat hij behouden is.
Een ander punt dat ons gescheiden houdt, is zorg aan onze kant over de visie van een aantal chr. gereformeerden op de bijbel (sommige boeken en bladen getuigen van onvoldoende weerstand tegen de Schriftkritiek; dit raakt direct de grondslag van de kerken: art. 3-7 NGB). Ook de ‘ruime’ uitleg die de CGK geven aan de art. 27-29 NGB (over de kerk), roept vragen op over het gezag dat de belijdenis heeft bij de CGK.

 

Bron: Mijn catechisatieboekje van de GKV, vijfde jaargang.