Jezus ontsluierd – Ontnuchtering, rouw en vrijheid

Hoofdstuk 42 uit het boek ‘Jezus ontsluierd’, geschreven door Riet Okken.
De hele geschiedenis van religie is slechts de geschiedenis van vergissingen van de menselijke geest, die, geplaatst in een wereld dat het niet begrijpt, desalniettemin toch poogt het mysterie op te lossen. Terwijl het droomt over wijsheid en geluk, dwaalt het blind in een labyrint van illusies en twijfels.
Constantin Volney
Wat mij aan het einde van dit onderzoek overbleef is een zekere  ontnuchtering, gevolgd door rouw om de leraar Jezus die dus nooit bestaan heeft. Deze rouw was niet slechts een intellectuele rouw, maar een met tranen. Ieder zal op eigen wijze de informatie in dit boek verwerken. Wellicht voel je je bedrogen of net als ik ontnuchterd, voorbij aan vrome sprookjes, die weliswaar een inspiratie kunnen zijn, maar ‘slechts’ gissingen en vermoedens omtrent het mysterie van ons bestaan zijn.
Het afscheid van de Jezus waarmee je bent opgevoed, waar je ouders op bouwden en waar onze cultuur nog voor een groot deel op berust, is geen sinecure. Het is een werk dat aandacht en zorg nodig heeft, vooral op het niveau van het hart. Intellectueel kun je wellicht met mij beamen hoe het Christendom zich ontwikkeld heeft en zien dat Jezus een verhaal is, een mythe die richtinggevend was in bepaalde tijden, maar op het niveau van het gevoel ligt het gecompliceerder. Daar zit vaak pijn. De pijn van verlies, maar ook de pijn van verraad. De Duitse theoloog en hoogleraar Gerd Lüdemann heeft een ontroerende brief aan zijn Jezus geschreven, waarmee hij overigens zijn hoogleraarschap verloor. Een stukje uit die brief:
Lieve Heer Jezus, zo heb ik je sinds mijn kindertijd altijd genoemd, zo heb ik je genoemd in mijn gebeden, voor elke maaltijd en s‘avonds voor het slapen gaan. ‘Heer Jezus, zoon van de levende God, wees mij genadig’, als een magische formule, ook al wist ik niet waarom ik dat deed. Ouder geworden ben ik zo blijven bidden, vanuit gewoonte, gedachteloosheid en angst, ook al wist ik allang dat je geheel anders was dan mijn ouders, leraren en pastor me geleerd hadden. (..) Ik streed met God. Hij was sterk en wilde me klein krijgen in een afgrond waarin verlamming, schuld en angst me wachtten. Toen ik de afgrond doorzag, zag ik in een flits hoezeer mijn leven beheerst was door verlamming, angst en schuld. Ik zei tegen mezelf: nooit weer, en ik werd zo sterk als een stier. Met mijn laatste krachten duwde ik God zelf neer in de modder en kwam vrij. (..)Lieve Jezus, ik kan niet langer de totaal verwarde situatie van theologie, kerk en Bijbel verdragen. Blijf waar je bent, in het Galilea van de eerste eeuw.1)
En zo heeft een ieder die iets voelt bij dit Jezusverhaal wellicht zijn brief te schrijven. Helderheid ten aanzien van wat hij voor je betekend heeft, is cruciaal hierin, alle gevoelens en beelden die je bij hem hebt. Een andere manier is hem eens op de manier van de Gestalttherapie op een kussen zetten en een gesprek te voeren door om en om je met Jezus en jezelf vereenzelvigen, totdat alles helder is, gevoelens geuit zijn, je de projectie terug kunt nemen en alleen verder kunt.
Deze ontnuchtering zet ons op eigen benen. Na het terugnemen van alle projecties blijven we slechts met onszelf over. Dat kan eenzaam voelen. Het is de eenzaamheid van het kind dat eindelijk religieus volwassen wordt en de zorg voor de eigen verbinding in eigen hand neemt.
Ik moet denken aan het prachtige visioen dat Jung op dertien -jarige leeftijd had en dat hem bevrijdde van de God van zijn vader, die dominee was. Terwijl hij voorbij de kerk in zijn geboortestad liep, zag hij boven de Dom God in de blauwe hemel op zijn troon zitten. Van onder deze troon valt dan pardoes een reusachtige drol bovenop de kerk, die erdoor verwoest wordt. Hij heeft dagen gestreden om het visioen niet tot zijn bewustzijn toe te laten. Toen hij het eindelijk durfde, voelde hij zich bevrijd:
Ik had een gevoel van een onbeschrijfelijke verlossing. In plaats van de verwachte verdoemenis was er genade over me gekomen en daarmee een onuitsprekelijke zaligheid zoals ik nooit gekend had. Ik huilde van geluk en dankbaarheid dat Gods wijsheid en goedheid zich aan mij geopenbaard hadden. (..) ik had ervaren wat mijn vader niet begrepen had. Hij had nooit het wonder van de genade beleefd, dat alles heelt en alles begrijpelijk maakt. Hij had de geboden uit de Bijbel tot richtsnoer genomen, hij geloofde in God zoals het in de Bijbel staat en zoals zijn voorvaderen over hem onderwezen hadden. Maar hij had hem nooit direct ervaren, hij kende niet de levende God die almachtig en vrij boven de kerk staat. Hij roept de mens op tot vrijheid. 2)
De bevrijding gaat hand in hand met het vinden van je eigen basis. In de godsdienstige fase heeft de mens geleerd alle zekerheid in een almachtige God te vinden. Als dit godsbeeld wegvalt- ook vanuit het conflict omtrent het menselijk lijden- waar vinden we dan nog zekerheid? Of moeten we wellicht ophouden naar zekerheid te zoeken en is de enige zekerheid dat het hier een onzeker bestaan is, waar een aardbeving je leven in één klap kan verwoesten en je kind zomaar onder een auto kan lopen? Ook wetenschap biedt geen zekerheid, ook al wordt die indruk soms gewekt. De enige zekerheid die we kunnen vinden is die in onszelf, in het wonder dat we überhaupt bestaan, een lichaam hebben dat ingenieus functioneert, een geest die kan denken en een hart dat kan voelen en zich verbinden met anderen. Deze basis vinden we echter slechts onder neurotische rommel van onverwerkte emoties en ervaringen. Hoe meer we deze verwerken, des te meer vinden we onze innerlijke stevigheid en zekerheid. En ons innerlijk licht… waarover Jung zo prachtig en eenvoudig zei:
Mijn eigen inzicht is de enige en grootste schat die ik bezit. Het is weliswaar oneindig klein en kwetsbaar in vergelijking tot de machten der duisternis, maar het is nu eenmaal toch een licht, mijn enig licht. 3)
De angst voor vrijheid
Een jonge vrouw die met mijn schrijven mee las, liet me weten:
Wat me het meest schokt is dat mijn hele wereldbeeld, waar ik mee ben grootgebracht, op leugens blijkt te berusten. Ook al wist ik al dat er veel niet klopte, ik wist niet dat het zo drastisch was. Als ik dat probeer door te laten dringen, komt er eigenlijk een enorme ruimte vrij, wat ik heel fijn vind en als een grote vrijheid ervaar, maar waar ik ook niet goed raad mee weet. Gelijk is er ook ruimte voor ‘gelijkheid’. Ik besef pijnlijk hoe het beeld van
de ‘gelijkhebbende/ uitverkoren christen’ in mijn vezels zit! En ook dat ik, als ik de vrijheid in zou stappen, direct een loyaliteitsconflict ervaar met hoe mijn ouders de wereld zien en daar
helemaal in leven. Dat vind ik nog steeds verbazingwekkend, want ik ga al zo lang  mijn eigen weg. Ergens is dit toch nog een grotere stap bij hen vandaan.
Als we de zogenaamde vaste ideologieën en zogenaamde vaste zekerheden los gaan laten, komt er onherroepelijk een fase van een duister lijkend gat. Het is de vrijheid waar we meestal niet mee zijn opgevoed en die in eerste instantie eng aanvoelt. Maar in feite is deze angst het gevolg van het feit dat we niet geleerd hebben met gedachten en beelden te spelen in het besef dat al wat we over de uiterste dingen van het leven zeggen, een kwestie van gissen is, van pogen om te begrijpen wat zo lastig is te begrijpen. Uiteindelijk weten we weinig zeker. We weten niet of ons leven op de een of andere manier voortgaat na onze dood, ook al vermoeden we iets of hebben we wel eens een glimp opgevangen van een overleden dierbare of hebben we het prachtige boek van cardioloog Pim Van Lommel 4) gelezen, die ervaringen van bijna dood heeft beschreven. We weten niet of er achter ons leven een soort grote en machtige Intelligentie schuilt die ons leven leidt en richting geeft. We kunnen wel onze vermoedens hebben, onze eigen ervaringen van speciale momenten. Onze verbeeldingskracht kan daar op geheel eigen wijze mee op de loop gaan en er een eigen poëzie van maken. Maar we hebben niet geleerd hiermee in alle relativiteit en voorlopigheid te spelen. Angst verhindert dat meestal, omdat een leven zonder vaste zekerheden en ideologie ons niet geleerd is. Ik herinner me een droom van lang geleden waarin een groep mensen in een kring stond met in het midden Jezus, die in mijn droom de homo ludens heette, de spelende mens. Dit speelse aspect is wat religies zo nodig hebben, willen ze niet verstijven in vaste rituelen en ideologie. De homo ludens zou de nieuwe fase moeten inluiden van een nieuwe spiritualiteit. Speelsheid geeft vrijheid en maakt los van vaste patronen. Maar helaas wordt speelsheid meestal verhinderd door angst. Dus dienen we eerst onze angst in de ogen te zien, de angst die zegt dat we niet kunnen leven zonder voorgeschreven paden en uitgestippelde ideologie. In feite komt deze angst voort uit het feit dat we in onze jeugd vaak geen echte leiding hebben ontvangen. Echte leiding bestaat er niet uit dat je een aantal leef- en geloofsregels moet volgen- dat is meestal bij gebrek aan iets beters- maar dat iemand je helpt je eigen houvast te vinden. En dat houvast vinden we als we bevestigd worden in onze eigenheid, in wat we zelf mooi en waardevol vinden en als we geholpen worden dat te ontdekken.
Het vervelende is dat veel mensen niet eens weten dat ze bang zijn en zich daardoor vastklampen aan vaste geloofszekerheden. Bewustwording van überhaupt angst achter elke zekerheid buiten je, is iets dat nog aan de confrontatie met de angst vooraf dient te gaan. Maar beseffen, laat staan zeggen dat je bang bent, is iets dat in onze cultuur niet erg populair is. Angst is een van onze meest en diepst verdrongen emoties en niet gemakkelijk om te erkennen, laat staan te doorvoelen. Het vraagt moed. Voorbij de angst of tenminste voorbij de erkenning van de angst, kunnen we in een andere ruimte komen, de ruimte van ontmoeting en werkelijke verbinding.
Ontmachting
Als we onze angsten onder ogen durven zien, kunnen we de machten die ons vaak onbewust beheersen van hun troon stoten. Zonder dat we het vaak beseffen devalueert de tirannie van onbewuste voorstellingen ons leven. Hoezeer zijn we niet opgevoed met beperkte en beperkende voorstellingen hoe het leven is en vooral ook hoe wij zijn of zouden moeten zijn? Godsdiensten met hun beeld van een almachtige God en wij als zondige mensen, zijn bij uitstek machten die ons klein en onmachtig hebben gehouden. Om vrij te worden zullen we de indoctrinaties ongedaan moeten maken, hen hun macht ontnemen door inzicht en emotionele verwerking. Het gaat er om de oude Godsbeelden- want meer is het niet-  hun macht te ontnemen en deze te hernemen als een macht in eigen binnenste. Het gaat hier om het paradoxale proces van bevrijding van ‘God’ om God te kunnen vinden. En daartoe is het niet verkeerd om ook woede als emotie toe te laten. Evenals we ten aanzien van ons gewone leven vaak met een achterstand van emotioneel onderhoud te kampen hebben, zo is dat ook ten aanzien van onze relatie met Al wat is en met godsdienst. Ook God eens op een kussen te zetten, en een gesprek met hem aan gaan, is een methode om allerlei inprentingen bewust te worden. En bewustwording zal ons vrijmaken.
1) Gerd Lüdemann, The Great Deception,  p. 1-9
2) C.G. Jung, Herinneringen, p. 42-43
3) Ibid. p.82
4) Pim van Lommel, Eindeloos bewustzijn