Wat is uw enige troost in leven en sterven?

Soms stelt iemand een vraag waardoor je gelijk op je hoede bent. Alsof je extra moet uitkijken met antwoorden, omdat de ander daar mogelijk iets inlegt wat jij niet overziet/bedoelt. Een strikvraag.

Strikvragen

Ik meende dat ik vrij goed was in strikvragen. Omdat ik op de HAVO negen van de tien keer niet geleerd had voor een toets, waren het juist de strikvragen waar ik het van moest hebben. Je hoefde alleen maar te kijken naar de suggestie die werd gewekt om vervolgens een ander antwoord te geven. Het waren de vragen met de hoogste gokkans. Mits je het slim aanpakte, wat ik niet altijd deed. Ik herinner mij nog dat ik geen punten kreeg voor mijn antwoord, hoewel ik juist gegokt had. Dit was omdat ik eerlijk had geantwoord bij de vraag om een toelichting: “Dit is duidelijk een strikvraag. Het lijkt antwoord A te zijn, dus daarom heb ik voor B gekozen.” Mijn docent kon er niet om lachen.

Strikvragen zijn vaak bedoeld om de vraagsteller iets duidelijk te maken over jou. Wanneer je goed antwoordt – als dat al mogelijk is – dan trekt de vraagsteller de conclusie dat je een ‘goed persoon’ bent. Maar oh wee wanneer je het verkeerde antwoord geeft! Dan kan je zomaar ‘dom’ zijn of een ‘fout persoon’. Hoe kortzichtig en oneerlijk!

“Waarin zit meer suiker, in een citroen of in een aardbei?” De oudere broer van mijn toenmalige vriendje was al weken aan het verkennen of ik voldeed aan zijn definitie van een volwaardige gesprekspartner. Omdat ik gelijk vermoedde dat het om een strikvraag ging, gaf ik het antwoord dat me het meest onlogisch leek. Het ontzag dat ik vervolgens in zijn ogen las, vond ik even verrassend als dom. “Hoe wist je dat??” Begreep hij niet dat ik geen flauw idee had en alleen maar toevallig had vermoed dat dit een strikvraag was? Hoe dan ook, vanaf dat moment behandelde hij me tot mijn grote vreugde als iemand die men serieus behoort te nemen.

Ik stelde zelf ook wel eens een strikvraag. Toen we op het punt van trouwen stonden, vroeg ik aan mijn vriend: “Als je moest kiezen tussen God en mij, voor wie zou je dan kiezen?” Braaf zei hij ‘voor jou natuurlijk!’ Waarop ik hem met allerlei verwijten om de oren sloeg. Hoe dúrfde hij! Hij zou te allen tijde voor God moeten kiezen en alleen zó zou hij een veilige partner voor mij zijn! Als we immers beiden God op de eerste plaats zouden stellen en steeds dichter bij God kwamen, kwamen we ook steeds dichter bij elkaar. Ik geloofde dat echt.

Het rare van strikvragen is dat van tevoren door de vraagsteller is bepaald wat het (enige juiste) antwoord is.

Iemand vroeg mij eens in de winkelstraat: “wat is het lekkerste gebak dat er bestaat?”. Deze persoon stond te popelen om mijn antwoord te corrigeren met de door hem ingestudeerde reclamezin: “Geen gebak zo lekker als het gebak van Bakker Dekker!”

Als hij écht nieuwsgierig was geweest naar mijn gebaksbeleving, dan had hij bijvoorbeeld kunnen vragen welk gebak ik momenteel lekker vind en of ik überhaupt wel gebak lust.

De gebruikte vraagstelling suggereerde al dat op een bepaald antwoord werd gehoopt. Dat maakte dat ik me onbehaaglijk voelde. Wat op zich al winst was, want vroeger werden mij regelmatig dit soort onbehaaglijke vragen gesteld, maar toen had ik dat totaal niet in de gaten. Sterker nog, ik leerde zowel de vragen als ‘de enige juiste antwoorden’ uit mijn hoofd, om er wekelijks punten mee te scoren tijdens de catechismuslessen.

Catechismus

De Catechismus is een eeuwenoud boekje dat in 52 hoofdstukken – ook wel ‘zondagen’ genoemd – de Bijbel uitlegt. Er wordt aan de hand van vragen en antwoorden verwezen naar Bijbelteksten, waarbij allerlei teksten met elkaar in verband worden gebracht. Bij ons in de kerk werd elke zondagmiddag gepreekt uit de Catechismus en elke week was er ‘Catechisatie’, waar de jeugd van 12 tot ongeveer 18 jaar les kreeg uit de Catechismus en waarbij er bij aanvang van de lessen overhoord werd of iedereen de vraag en het antwoord van die week goed uit het hoofd had geleerd. Zo leerde je wat je hoorde te denken. Dat dit totaal iets anders is dan leren hóe je moet denken, heb ik jaren later pas begrepen.

Vraag 1 van de catechismus luidt:

Zondag 1.

Vraag: “Wat is uw enige troost in leven en sterven?”

Het antwoord ken ik nog altijd uit mijn hoofd:

Antwoord: “Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven1, het eigendom ben, niet van mijzelf2, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus3. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald4 en mij uit alle macht van de duivel verlost5.
Hij bewaart mij zo6, dat zonder de wil van mijn hemelse vader geen haar van mijn hoofd kan vallen7, ja zelfs zo, dat alles dienen moet tot mijn heil 8.
Daarom geeft Hij mij door zijn Heilige Geest ook zekerheid van het eeuwige leven9 en maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven10.

1 Rom. 14:81 Tess. 5:9,102 1 Kor. 6:19,203 1 Kor. 3:23Tit. 2:144 1 Petr. 1:18, 191 Joh. 1:71 Joh. 2:2, 125 Joh. 8:34-36Heb. 2:14, 151 Joh. 3:86 Joh. 6:39 10:27-302 Tess. 3:31 Petr. 1:57 Matt. 10:29, 30Luk. 21: 188 Rom. 8:289 Rom. 8: 162 Kor. 1: 222 Kor. 5:5Ef. 1:13, 1410 Rom. 8:141 Joh. 3: 3.

Dat is nogal wat.

Rare vraag

De hier gestelde vraag valt voor mij inmiddels in de categorie ‘wat is het lekkerste gebak dat er bestaat?’ Alsof er maar één antwoord mogelijk zou zijn, dat ook nog eens voor iedereen hetzelfde is. Is me vroeger nooit opgevallen. Ik was juist blij dat ik op deze manier gevormd werd en leerde denken en beleven op de juiste manier. Het antwoord was ook wérkelijk mijn antwoord geworden. Op de één of andere manier is het mogelijk om je beleving te voegen naar je aannames en zelfs naar wat men van je verwacht.

Als ik de vraag nu lees, dan denk ik: wat een rare vraag! Hoezo ‘enige troost’? En waarom volgt er geen stilte zodat iemand zelf kan nadenken en invullen? Waarom bepalen anderen hoe je dit zou moeten beleven? En waarom zou het maar één iets kunnen zijn? Kan dat niet wisselen in de loop van je leven? Kunnen het niet meer dingen/ideeën of personen zijn waaruit je troost put? Mag het ook mogelijk zijn dat je (soms) géén troost ervaart in leven en/of sterven?

Eigen antwoord

Het was voor mij een weldaad toen ik laatst in de Facebookgroep DogmaVRIJplaats ((privé groep waar in besloten kring – onzichtbaar voor niet-leden – ervaringen worden uitgewisseld over (wat de gevolgen zijn van) het opgroeien met bepaalde dogma’s en het loslaten daarvan)) las dat Fenda de vrijmoedigheid had gevonden om de volledige Catechismus te herschrijven in haar eigen woorden. Het kiezen van de antwoorden die zij op dit moment als passend ervaart, is een traag en moeizaam proces, omdat het haar niet alleen confronteert met wat ze aangeleerd kreeg, maar ook met wie ze (op dit moment) (geworden) is. Authentiek zijn kan een enorme opgave zijn wanneer je dit nooit hebt geleerd. Ik vind het een briljant, moedig en krachtig idee. Ruimte maken voor jóu door elk stukje van je keurslijf los te peuteren en stapje voor stapje je eigen ruimte in te nemen.

Ik mocht dit door haarzelf geformuleerde antwoord van Fenda met jullie delen.

Dit deel ik uiteraard niet om jullie aan te moedigen voortaan dít antwoord te geven, maar wel om jullie – en mezelf – aan te moedigen om zélf een antwoord te formuleren of daar in elk geval over na te denken. Is er iets dat jou troost in leven en/of in sterven? En wat is dat? Geef je antwoord gerust als reactie op dit bericht en voel je te allen tijde vrij dit antwoord te herzien. We hebben tenslotte niet meer dan onze inzichten van dit moment.

En dat is oké. 😊

About Inge Bosscha

Aandachtig, openhartig, (zelf)kritisch en verbindend. Trainer, coach en inspirator. Deskundige op het gebied van (het loslaten van) aangeleerde religieuze dogma's en belemmerende overtuigingen.

2 Responses

  1. Vital Henkens

    In het leven moet men kunnen relativeren. Een mens, dier of elk wezen, héél het plantenrijk, kortom alles is maar een tussenschakel!

  2. Wim Kiewiet

    Meestal heb ik het leven helemaal geen troost nodig. Het gaat namelijk prima met me. Uiteraard is dat niet altijd zo. In trieste tijden was er soms geen troost, was naar mijn mening ook geen troost mogelijk, moest ik het zelf verwerken, iets wat ik ook niet erg vond, dat hoort bij het leven. Ook kwam het voor dat in voor mij donkere tijden er iemand op mijn pad kwam die alles veranderde ten goede. Ik weet niet zeker of je kunt zeggen dat ik toen getroost werd, ik voelde het meer als het verdwijnen van donkerte en weer helemaal gelukkig worden. Maar misschien is dat wel troost.
    In het sterven kan niemand mij troosten. Als ik het bewust zal gaan meemaken is naar mijn mening geen troost mogelijk, althans niet voor mij, maar hopelijk wel voor diegenen die mij gaan missen. Het lijkt me dat die troost afkomstig zal zijn van mensen om hen heen.
    Het Catechismus antwoord op troost vind ik onbegrijpelijk. Niet kwaad bedoeld, maar ik begrijp helemaal niets van zo’n antwoord. Hoe kan ik nu getroost worden door iemand die er niet is, hooguit in gedachten. Dat er voor mijn zonden “betaald” is, is voor mij ook volkomen onbegrijpelijk. Ik “betaal” zelf wel voor mijn zonden, als ik die heb. Dat laatste zou kunnen natuurlijk, maar ik zou niet zo gauw weten welke dat dan zijn. Een ander hoeft daar niet voor te betalen. Dat zou niet rechtvaardig zijn naar die ander. Je kunt betalen voor materiële schade, bijvoorbeeld in de vorm van schadevergoeding. Voor mijn eventuele zonden kan niet “betaald” worden. Dat is op logische gronden onmogelijk.

Laat een reactie achter bij Vital Henkens Reactie annuleren